Welcome to the Suck

Hopelijk draait Jarhead nog in de bioscopen tegen de tijd dat deze Grenzeloos uitkomt. Zo niet: snel huren die film. Het is een van de beste (anti)oorlogsfilms ooit.

Regisseur Sam Mendes had op zijn lauweren kunnen rusten. In 2000 griste zijn American Beauty maar liefst vijf Oscars weg. Mendes bracht het risqué verhaal over een volwassen man die verliefd raakt het tienervriendinnetje van zijn dochter met zoveel goede smaak dat niemand erover viel. Zijn filmdebuut won de beeldjes voor beste film, beste regie, beste scenario, beste cinematografie en beste mannelijke hoofdrolspeler (Kevin Spacey). Kortom, Mendes was binnen. Ik ben benieuwd wat de Academy op 5 maart zal vinden van zijn nieuwste film waarin 278 keer het woord ‘fuck’ valt; waarin Amerikaanse mariniers worden aangeduid als ‘Jarhead’ (een verwijzing naar hun haardracht en leeghoofdigheid); en van een film die weigert eenduidig voor of tegen de oorlog in Irak te zijn.

Film is oorlog
Oorlog, ik kom later op Jarhead terug, heeft filmmakers altijd gefascineerd. Deels uit commerciële motieven – oorlog verkoopt! – deels heeft het te maken met het feit dat filmmakers ook gewone mensen zijn. Net als anderen interesseren zij zich voor geweld – oorlogsfilms verkopen niet voor niets. Maar de fascinatie heeft wellicht ook te maken met de aard van het beestje. Cinema, immers, biedt geen realisme, maar drama. In negentig minuten dienen zich, volgens de wetten van het traditionele filmmaken, drie aktes te voltrekken waarin het hoofdpersonage obstakels tegenkomt en overwint. Tegen de tijd dat de film zijn finale bereikt is de hoofdpersoon voorgoed veranderd: de ervaring heeft hem of haar een emotionele metamorfose doen ondergaan. Dat is een behoorlijke opgave in zo’n kleine tijdspanne en het is dan ook niet voor niets dat filmscenario’s steevast teruggrijpen op momenten van crisis. Wat is beter geschikt dan een oorlog om de volgende thema’s  eens flink dramatisch aan te zetten: eer en loyaliteit; verdriet, rouw en vreugde; moed en angst; trouw en verraad?

Maar de relatie tussen oorlog en cinema is er natuurlijk ook materieel. Vele regisseurs leerden het vak als dienstplichtige bij de informatie- of propaganda-afdeling, of verleenden hun diensten aan het leger. Alfred Hitchcock, om er één te noemen, maakte in 1944 twee Franstalige films voor het Britse Ministery of Information. De films maakten onderdeel uit van de geallieerde propaganda-inspanning in Frankrijk. Special-effectsman Tom Savini, bekend van talloze horrorfilms, deed zijn kennis van bloederige beenwonden en gezichtsmutilaties op tijdens zijn werk als legerfotograaf in Vietnam. Black Hawk Down (2001), Ridley Scott’s film over de Amerikaanse militaire operatie in Somalië maakte gebruik van de helikopters van de 160ste Special Operations Aviation Regiment van het Amerikaanse leger. De meeste piloten die aan de film meewerkten, waren betrokken in de werkelijke operatie op 3 en 4 oktober 1993.

Verschillende regisseurs hebben erop gewezen dat zelfs het produceren van een film iets weg heeft van oorlogsvoering. Een film maken is een enorme logistieke operatie; de crew is op elkaar aangewezen, staat los van de dagelijkse realiteit, leeft, eet en werkt onder vaak slechte omstandigheden, met een bepaalde hiërarchie en noodzaak tot zelfopoffering en discipline. Als het gaat om Francis Fords Coppolas’ rampzalig verlopen filmopnames voor Apocalypes Now (1979) is die vergelijking inmiddels een ingetrapte deur.

Voor of tegen?
Dat alles zegt op zich niet automatisch iets over de politieke stellingname van een film. Acteurs uit Black Hawk Down kregen een militaire spoedcursus in Fort Benning, het militair complex waar zich ook het beruchte School of the Americas (tegenwoordig eufemistisch ‘Western Hemisphere Institute for Security Cooperation’ geheten) bevindt. De beulen en folteraars van El Salvador en Argentinië werden er opgeleid. Smakeloos, op z’n minst. Apocalyps Now daarentegen heeft een pacifistische boodschap. Toch hield Coppola er niet veel fraaiere morele principes op na: de film werd in de Filipijnen geschoten, waar dictator Ferdinand Marcos de regisseur helikopters en piloten ter beschikking stelde.

Toch ontkomen ook regisseurs, hoe a-moreel ze soms ook zijn in het najagen van hun project, niet aan een inhoudelijk standpunt: oorlog of vrede? Voor of tegen? Welke oorlog laten we zien?

De allereerste oorlogsfilm was een negentig seconden durend propagandafilmpje uit 1898 en heette: Tearing Down the Spanish Flag. Het werd gemaakt tijdens de Spaans-Amerikaanse oorlog, en toonde een reconstructie van de overname van een Spaans regeringsgebouw in Havana, Cuba, door Amerikaanse troepen. Aanvankelijk zagen de studio’s weinig in oorlogsfilms: te veel figuranten, te grote sets, te duur. Dat veranderde met het succes van D.W. Griffith’s klassieker The Birth Of A Nation(1915). De film, die het effect toonde van de Amerikaanse burgeroorlog op een zuidelijke en een noordelijke familie, bewees het dramatisch potentieel van oorlogsfilms. Het jaar daarop maakte Griffith met Intolerance de eerste pacifistische film ooit.

Sindsdien hebben we een enorm aantal (anti)oorlogsfilms op het witte doek zien passeren. Voor de geïnteresseerde biedt filmsite.org een uitputtend overzicht. Sommige films waren hartstochtelijke aanklachten tegen de oorlog; sommigen waren goedbedoeld pacifistisch maar laten je koud; sommige films zinderden van de spanning en lieten ons op het puntje van de stoel zitten; sommigen films waren knullig en lachwekkend; andere waren volstrekt weerzinwekkend, nationalistisch en oorlogszuchtig.

Ten strijde! (herziene versie)
In 1918 richtte Griffith zich met Hearts of the World tot de burgers van de VS. De film is een pleidooi voor Amerikaanse deelname aan de Eerste Wereldoorlog. Hij filmde, met de hulp van het Britse War Office en de Franse regering, werkelijke oorlogstaferelen op locatie in Europa. In 1940 was het Alfred Hitchcock die zich direct tot het Amerikaanse publiek richtte met de oproep niet langer afzijdig te blijven van WOII. In Foreign Correspondent, een thriller over nazi-spionnen luidt de finale:

It’s as if the lights were all out everywhere, except in America. Keep those lights burning there! Cover them with steel! Ring them with guns! Build a canopy of battleships and bombing planes around them! Hello, America! Hang on to your lights. They’re the only lights left in the world…

Beide films behoren tot het feitelijk vrij zeldzame genre van pro-oorlogsfilms die gemaakt werden op het moment dat het er werkelijk iets toe deed.

Veruit de meeste heldenverhalen over de Tweede Wereldoorlog werden namelijk veilig jaren later gemaakt. John Wayne speelde zijn rollen als rauwe sergeant eind jaren veertig, begin jaren vijftig. Bekende oorlogsfilms alsThe Bridge on the River Kwai(1957),  The Guns of Navarone (1961), The Dirty Dozen (1967) en A Bridge Too Far (1977) stonden op veilige afstand van de werkelijke gebeurtenissen.

Eén van de laatste films van Wayne behoort overigens wel tot het genoemde selecte groepje actuele oorlogsfilms. The Green Berets (1968) is de enige Vietnamfilm die tijdens de Vietnamoorlog uitkwam. De Timeout filmencyclopedie noemt het ‘Vietnam vanuit haviksperspectief, waarin de Vietcong hun tijd doorbrengen met het zetten van duivelse boobytraps, terwijl Wayne en zijn mannen de vredelievende boerenslachtoffers verdedigen.’ De propagandafilm flopte; de oorlog in Vietnam was in 1968 al niet meer zo populair.

Typerend is dat de Vietnamfilms First Blood(1982), Missing in Action, Rambo II (1984) en Rambo III (1985), met Sylvester Stallone en Chuck Norris, wél grote kassuccessen werden. Het lijkt een terugkerende fenomeen te zijn: jaren later doen de films de oorlog nog eens dunnetjes over, en beter. Of zoals de titel van de documentaire over het Rambo-fenomeen luidde: We Get to Win This Time (2002).

Sinds 1991, Operation Desert Storm, is de wereld weer in oorlog.  Opvallend is – opnieuw – dat films die direct de huidige militaire operaties bejubelen afwezig zijn. Behind Enemy Lines (2001) over het conflict in Bosnië en de eerder genoemde Black Hawk Down (2001) zijn bijna-uitzonderingen (ook in die gevallen zaten er enkele jaren tussen film en de werkelijke gebeurtenissen). Patriottische regisseurs die de huidige oorlogsinspanningen willen steunen grijpen liever terug op oorlogen zonder politieke complicaties: Saving Private Ryan (1998), Pearl Harbor (2001), Enemy at the Gates (2001) of vooruit: The War of the Worlds.

Peace!
Zo bekeken is de pro-oorlogsfilm dus een nogal lafhartig genre: stoer doen nadat de kruitdampen zijn opgetrokken, of – als er wel een oorlog woedt – je verbergen achter historisch drama. Helaas waren ook de groten van de vredelievende cinema, dat pas in retrospectief. Toch was er moed voor nodig om tegen het heersende beeld in te gaan.

Pacifistische films over de Eerste Wereldoorlog als All Quiet on the Western Front (1930) of Stanley Kubricks’ Paths Of Glory (1957) confronteren ons met de waanzin en wanhoop in de loopgravenoorlog. Kubrick’s rauwe en shockerende film toont de hypocriete Franse militaire bureaucratie die hun troepen zelfmoordaanvallen lietenuitvoeren in de trenches en weigerachtige soldaten ‘als voorbeeld’ liet executeren. Het gruwelijke beeld dat deze film schetst in inmiddels zo algemeen aanvaard, dat we wel eens vergeten dat men in Frankrijk tot recent nog met trots sprak over ‘La Grande Guerre’. De film was er tot midden jaren zeventig verboden.

Wat betreft de Tweede Wereldoorlog lijken we zelfs nog maar nét begonnen te zijn aan een reconstructie van het conflict dat voorbij ‘goed en kwaad’ gaat. WOII is, met zijn duidelijk identificeerbare schurken, cinema’s favoriete onderwerp. Maar in films over een oorlog waarvan we zo blij zijn dat de nazi’s hem niet gewonnen hebben, lijkt geen plaats voor het gebroken geweertje. Pas in 1998 bleek het westerse filmpubliek klaar voor de huiveringwekkende openingsscène van Saving Private Ryan (en dan nog compenseerde Spielberg dit ‘defaitistische’ deel zorgvuldig met een ouderwets heroïsche tweede helft). Alleen Das Boot(1981) toonde WOII in al zijn claustrofobische grimmigheid eerder – en beter. Het is geen toeval natuurlijk dat de Duitse en Japanse cinema al eerder de keerzijde toonde. Toch valt aan Shohei Imamura’s Black Rain (1989) over de atoombom op Hiroshima, Das Boot en Stalingrad (1993) vooral op hoe recent die films eigenlijk nog zijn. Kennelijk duurde het meer dan vijftig jaar voordat ook andere visies op het leed van ’40 – ’45 gezien mochten worden.

Over de oorlogen in Zuidoost-Azië, hadden de jonge filmmakers die in de jaren zeventig Hollywood bestormden, minder twijfels. M*A*S*H (1970), The Deer Hunter (1978), Apocalypse Now (1979), The Killing Fields (1984), Platoon (1986), Full Metal Jacket(1987) en Born on the Fourth of July (1989) zijn memorabele antioorlogsfilms. Zeker wanneer je kijkt naar de Vietnamfilms van Oliver Stone, en ook diens films over JFK  en Nixon in beschouwing neemt, wordt duidelijk dat deze generatie regisseurs niet alleen bezig was met Vietnam, maar bovenal de rol en recente geschiedenis probeerde te begrijpen van de imperialistische grootmacht die de Verenigde Staten heet.

Fuck politics
Het zijn die Verenigde Staten die in 1991 ten strijde trekken wanneer Irak de kleine oliestaat Koeweit binnenvalt. Vandaag, 2006, lopen er nog steeds Amerikaanse soldaten rond in Irak. Jarhead, gaat over die enkele dagen in 1991. Het is het verhaal van marinier Swoff die na een bikkelharde training in Saudi Arabie landt om Sadam een lesje te komen leren.

‘Dat is fucking Vietnammuziek!’ roept een van de soldaten in Jarhead, wanneer iemand The Doors draait. ‘Geef ons onze eigen muziek!’ Inmiddels zijn het cliché’s – The Doors, overmatig druggebruik, Vietnamese kinderhoertjes, Charlie at six o clock enzovoort – maar ze zijn ooit op celluloid gezet door een visionair regisseur die daarmee vrijwel in zijn eentje de Vietnamoorlog van een nieuwe iconografie voorzag. Die regisseur was natuurlijk Francis Ford Coppola. In Jarhead juichen rekruten in een filmzaaltje bij scènes uit zijn Apocalypse Now! Mendes kent zijn klassiekers.

Jarhead toont genadeloos de verveling en het cynisme van de Amerikaanse soldaten. Gruwelijkheden als verkoolde lijken van Iraakse burgers worden niet weggemoffeld. Het wordt pijnlijk duidelijk dat van een heroïsche grondoorlog geen sprake is geweest – de Amerikaanse luchtmacht bombardeerde simpelweg alles plat. Toch maakt dat de film niet tot een simpele aanklacht. Jarhead neemt je namelijk ook mee in het spannende avontuur van een twintigjarige jongen die niet weet wat hij wil, totdat hij in het leger ontdekt dat hij een geboren scherpschutter is. De film is een hectisch inferno van (mannen) kameraadschap, geoliede machinegeweren, staal, rook en vuur – en verdomd – het is moeilijk er weerstand aan te bieden. Mijn bloed kookte gedurende de film. Soms van afschuw en kwaadheid. Soms van spanning en ‘stoerigheid’. De film baadt in een voortdurende sfeer van seksuele hoogspanning, geweld en  frustratie – zoals een militaire training voortdurend geweld, seksuele grappen en beledigingen, sadistische trainingen en vernederingen inzet om de soldaten zover te krijgen.

Jarhead is gebaseerd op het boek van voormalig marinier Anthony Swofford over zijn ervaringen in Saudi-Arabie. Swofford op de Amerikaanse website Slate.com: ‘Ik herinnerde me hoe ik als een boot (een groentje) op dit vliegveld landde en op een dag marinier genoemd wilde worden in  plaats van ‘shitstick’ of  ‘comesucker’ of  ‘dickforbrains’. En ik huilde, ik huilde voor het jongetje dat ik ooit was en voor de mariniers die in de laatste dagen gesneuveld zijn en hun families, en hun broeders in het Marinierscorps die op dit moment in benarde gevechten kunnen zitten. Het Marierscorps breekt mijn fucking hart. Ik houdt er nog steeds van en ik haat het.’

Net als Coppola voor hem, is Mendes erin geslaagd ‘zijn’ oorlog te vangen in een eigen, nieuwe beeldentaal die helemaal van deze tijd is. Daarbij hoort, in tegenstelling tot de anti-Vietnamoorlogsfilms, helaas ook de totale politieke verwarring. ‘We vechten hier voor de olie,’ zegt een soldaat in Jarhead. ‘Fuck politics!’ roept een ander hem toe, ‘We zijn nu hier, dat is het enige wat telt.’ Het feit dat de wereld die Mendes schildert zich nu – op dit moment – in Irak bevindt, maakt Jarhead tot een werkelijk schokkende ervaring.

Welkom in de wereld waarin de VS haar achttienjarige rekruten stort, of zoals de ondertitel van Jarhead luidt, ‘Welcome to the suck’.

Gepubliceerd in Grenzeloos 85,  januari 2006

Comments are closed here.