Stop-motions comeback

Het lijkt een anachronistische combinatie van technieken: Paranorman is de derde lange speelfilm in stop-motion én 3D. Zo teleurstellend als 3D vaak uitpakt, zo blij worden we van het onverwoestbare stop-motion.

We zijn de enigen niet. Fantastic Mr. Fox en Mary and max, een poppenanimatie en een claymation, waren zeer succesvol tijdens het Imagine Film Festival. Dat lag ongetwijfeld ook aan de mooie scenario’s en stemmencast, maar de techniek sprak minstens zozeer tot de verbeelding. Dit jaar wordt het grote publiek maar liefst drie keer getrakteerd op stop-motion. De Aardman-productie The Pirates! verscheen in maart en april in België en Nederland. Paranorman komt uit op respectievelijk 22 en 16 augustus. Tim Burtons Frankenweenie op 17 en 18 oktober.

Niemand kijkt nog op van de zoveelste 3D-film of –conversie. Computer generated images zijn inmiddels ook de standaard geworden. Maar stop-motion blijft iets bijzonders. Philip H. Knight, de baas van Laika, de studio achter Paranorman, verwoordde het zo: ‘Als je iets tot leven brengt met je handen, zullen er altijd imperfecties zijn. Dat geeft stop-motion die vonk van leven – dat heel erg menselijke ‘niet alles is perfect.’’

My Brontosaurus!
Coraline (2009), ook van studio Laika, en The Pirates! zijn de enige twee eerder gemaakte 3D stop-motion features. Veel korte films in deze techniek waren er evenmin. Het Nederlandse The Incredible Invasion of the 20,000 Giant Robots from Outer Space (Elmer Kaan, Alexander Lentjes, 2000) verdient vermelding. De allereerste 3D stop-motion schijnt uit 1939 te stammen.

Maar genoeg over 3D. In Schokkend Nieuws #84 stonden we al uitgebreid stil bij de stereoscopische film. Stop-motion is natuurlijk veel ouder. Filmpioniers Georges Méliès en Thomas Edison ontdekten eind negentiende eeuw al dat je bijzondere effecten kunt bereiken door gebruik te maken van het feit dat film bestaat uit vierentwintig beelden per seconde. Kort de camera stilzetten om de opname even later te hervatten en het lijkt alsof de duivel vanuit het niets in beeld verschijnt! Fotografeer een paar beelden achter elkaar en levenloze objecten lijken uit zichzelf te bewegen! Vaak wordt The Humpty Dumpty Circus (Albert E. Smith, James Stuart Blackton, 1898), als eerste echte stop-motionfilm genoemd. Dat kortje is inmiddels verloren gegaan, maar op internet kun je nog wel genieten van een scène met zes heel oude bewegende beertjes in The Teddy Bears (Edwin S. Potter, 1907).

Volledig in stop-motion en ook wat spannender, is The Dinosaur and the Missing Link (1914), het oudste bewaard gebleven werk van Willis H. O’Brien (1886-1962). Het leverde de stop-motion pionier een baan op bij Edison, voor wie hij een reeks korte films maakte. Zijn eerste commerciële succes, hoewel hij niet op de titelrol werd vermeld, volgde in 1919. O’Brien maakte in opdracht van producent Herbert M. Dawley de korte film Ghost of Slumber Mountain waarin Uncle Jack (Dawley zelf) door een telescoop miljoenen jaren terug in de tijd kijkt en getuige is van een gevecht tussen Tyrannosaurus en Triceratops. De film, iets meer dan achttien minuten lang, bracht ruim 100.000 dollar op. De volgende, nog ambitieuzere, stap lag voor de hand: een volledige feature gebaseerd op Arthur Conan Doyle’s The Lost World (1925). Bessie Love en Lewis Stone waren de hoofdrolspelers en Harry O. Hoyt was regisseur, maar het waren de dinosauriërs van O’Brien die van de film een hit maakten.

Het is meer dan vijfentachtig jaar later moeilijk in te schatten wat voor indruk het in de bioscoop gemaakt moet hebben: de Allosaurus die ’s nachts het kamp van de dappere avonturiers aanvalt of de eerste verwoesting aangericht door een losgeslagen dino in een wereldstad. De film bevat een fraaie finale op de Tower Bridge in Londen. De titelkaarten zijn nog beter: ‘My Brontosaurus has escaped! Keep off the streets – until I recapture it!

Wonder
Wat de indruk was die King Kong teweegbracht, het hoogtepunt in O’Briens oeuvre en de bekendste stop-motionfilm aller tijden, is gelukkig beter gedocumenteerd. Een ‘highly imaginative and super-goofy yarn’ schreef Variety in 1933. De humoristisch geschreven recensie van Joe Bigelow is zeer kritisch over het scenario en hoofdrolspeelster Fay Wray (‘It’s a 96-minute screaming session for her, too much for any actress and any audience.’) maar prijst de techniek en O’Brien in het bijzonder. Bigelow ziet, wat betreft de stop-motioneffecten, ook al meteen een interessante paradox: ‘But after the audience becomes used to the machine-like movements and other mechanical flaws in the gigantic animals on view, and become accustomed to the phoney atmosphere, they may commence to feel the power.’

Het is verleidelijk te denken dat men tachtig jaar geleden weinig gewend was qua visual effects en daarom geloofde dat het allemaal ‘echt’ was, maar deze recensie bewijst dus anders. De kracht van de film was niet de geloofwaardigheid. Een paar regels verderop zegt Bigelow het nog iets duidelijker: ‘While not believing it, audiences will wonder how it’s done.’

Modern bioscooppubliek zal de ene film wel geloofwaardig vinden en de andere niet – van Prometheus tot Ghost Rider – maar wie vraagt zich tegenwoordig nog af ‘hoe het is gedaan’? Bij welke film dan ook? Spraken de behind the scenes van Star Wars ondergetekende als kind nog tot de verbeelding, inmiddels zet ‘het komt uit de computer’ elk verder fantaseren stop. Die verklaring volstaat. Het onmogelijke is een vanzelfsprekendheid geworden. De magie is weg.

En dat heeft toch ook iets met de techniek te maken. Een goede goochelaar kondigt aan dat hij een truc gaat doen. Cgi probeert onopgemerkt voor echt door te gaan. Stop-motion ‘while not believing it’ is als die goede goochelaar: het is zichtbaar menswerk en blijft daarom fascineren. En hoe matig ook het scenario of de cast, ‘audiences will wonder.’

Doe-het-zelf effect
Bijna iedereen heeft ook wel een vermoeden van hoe het effect tot stand komt. Ray Harryhausen (geboren 1920), de man die na O’Brien veruit het meeste deed voor stop-motion animatie, heeft nooit een geheim gemaakt van de basisprincipes van het procedé. In drie imposante door hem gepubliceerde boeken is, prachtige foto na prachtige foto, te zien hoe Harryhausen gebogen staat over zijn miniaturen en de armatuur steeds een klein beetje verplaatst en een opname maakt. Heel geduldig, beeldje voor beeldje, vierentwintig beeldjes per seconde. De productie van Mighty Joe Young (1949), Harryhausens eerste film waarin hij nog onder de hoede werd genomen door O’Brien, nam bijna drie jaar in beslag.

Dat is misschien één deel van de verklaring voor de verwondering die stop-motion bij ons oproept. De techniek vereist enorme inspanning en geduld. De meesten mensen beleven de 1 petabyte (1 miljoen gigabyte) aan computergeheugen die Weta nodig had voor de cgi in Avatar, toch anders dan het beeld van Ray Harryhausen die in z’n eentje de skelettensequentie in The 7th Voyage of Sinbad (1958) in elkaar sleutelt en daar ruim drie maanden over doet. Voor vier minuten film!

En terwijl de meesten van ons niet eens durven raden hoeveel nullen er in een petabyte gaan (het zijn er vijftien), kunnen we ons wél voorstellen dat ook wij zouden kunnen wat Ray Harryhausen deed – als we er het geduld maar voor hadden. Stop-motion is het ultieme doe-het-zelf effect. WETA en Industrial Light & Magic zijn grootheden die je overdonderen. Ray is de geestverwant die je bewondert.

Het is, kortom, een techniek die populair is omdat hij zowel toegankelijk is als zeer uitdagend. Volkomen logisch dat de online videosites wemelen van de zelfgemaakte foto-, klei-, playmobil- en legomation. Websites als stopmotioncentral.com en claymovie.com publiceren tutorials en bieden gratis software. In Nederland bericht animatie.blog.nl regelmatig over de laatste stop-motion.

Maar in de jaren dat er nog geen cgi voorhanden was, was de belangrijkste aantrekkingskracht van stop-motion natuurlijk gewoon die van ieder visual effect: het maakte het onmogelijke mogelijk. De huizenhoge Kong op de Empire State Building, de dinosaurus in The Beast from 20,000 Fathoms (1952) en de vliegende schotels in Earth vs. the Flying Saucers (1956). Na het succes van de skeletten en cycloop in The 7th Voyage of Sinbad werden het de facto de films van Harryhausen. De drie Sinbad-films, Jason and the Argonauts (1963), The Valley of Gwangi (1969) en Clash of the Titans (1981) dreven vooral op de charme van zijn dynamation. De cgi-versie van Clash of the Titans bewees dat nog maar eens in 2010. Rays monsters hadden in One Million Years B.C. (1966) eigenlijk alleen  concurrentie te duchten van Raquel Welch. De dino’s zijn in werkelijkheid niet één, maar 65 miljoen jaar geleden uitgestorven. De Ceratosaurus, de Triceratops, de Archelon en de mens leefden nooit in hetzelfde tijdperk. Maar wat maakt het uit? We verwonderen ons over de vlucht van Loana en de Pterodactylus.

Kinderuurtje
Uiteraard werden in de loop der jaren de technieken en toepassingen diverser. O’Brien en Harryhausen maakten gebruik van poppen met bewegende onderdelen. George Pal (1908-1980) ontwikkelde een stop-motion replacement-techniek waarbij steeds een nieuw poppetje werd gebruikt. Zijn korte ‘puppetoons’ vergden duizenden poppetjes met telkens minieme verschillen. Eliot Noyes Jr. en Will Vinton verfijnden de kleianimatie. Vinton won er in 1975 een Oscar voor met zijn Closed Mondays. De Rus Alexandre Alexeieff (1901-1982) ontwikkelde een van de meest curieuze vormen: stop-motion met een pinscreen. Alexeieff maakte bij leven slechts zes korte filmpjes waarin de metalen pinnen een vloeiend bewegend patroon scheppen van zwart, wit en grijstinten. Op YouTube vind je bijvoorbeeld The Nose (1963), gebaseerd op een kort verhaal van Gogol. Orson Welles gebruikte het werk van Alexeieff in de opening van The Trial. De uiterst intensieve techniek is zo goed als uitgestorven.

Veel stop-motionfilmpjes waren en zijn natuurlijk bestemd voor het kinderuurtje of de reclame. De Nederlandse Toonder Studio’s startten al in de jaren veertig met stop-motion. Opvolger Pedri Animation doet dat nog steeds en maakt bijvoorbeeld de Nijntje-films. Ook afkomstig uit de Toonder Studio’s was Joop Geesink (1913-1984). De Nachtmerrie (1947) is een kort horrorsprookje over een moorddadige kapper met een eng scheermes – en reclame voor PhiliShave. Een jaar later maakte Geesink voor Phillips het bijna tien minuten durende en buitengewoon verfijnde Kermesse Fantastique. Voor een Nederlands biermerk dat de Amerikaanse markt op wilde creëerde hij zelfs een compleet poppenavontuur in het wilde westen (‘Spinach for Popeye, but Oranjeboom beer for me!’). Zijn allerbekendste schepping is natuurlijk Loekie de leeuw. Geesinks Studio Dollywood produceerde, tot het einde in 2004, meer dan zevenduizend stop-motion Loekie-filmpjes voor tussen de reclameblokken. In Amerika deden Arthur Rankin, Jr. en Jules Bass vergelijkbaar werk. Hun ‘Animagic’ Rudolphe the Red-nosed Reindeer (1964) is een vrij bekend voorbeeld.

Rankin en Bass waren trouwens ook de mannen die in 1967 de stop-motionfilm Mad Monster Party? maakten. De komedie werd geschreven door Harvey Kurtzman, de oprichter van Mad Magazine. Baron von Frankenstein (de stem van Boris Karloff!) wil met pensioen en roept daarom alle bekende filmmonsters bijeen voor een vergadering. Zijn assistente Francesca, graaf Dracula, de Weerwolf, The Creature from the Black Lagoon, Dr. Jekyll & Mr Hyde, de Mummy en de Onzichtbare Man hebben echter grote bezwaren wanneer blijkt wie de beoogde opvolger is. ‘What kind of a monster is he? A ghoul? A demon? A spook, or…?’
‘A human.’
‘They’re the worst kind.’
Wie de trailer bekijkt, weet meteen waar Tim Burton en de mensen achter Paranorman de mosterd halen.

Koppige eenlingen
Net zo van invloed – op Burton maar bijvoorbeeld ook op Terry Gilliam – was Jan Švankmajer. De Tsjechische stop-motionkunstenaar komt regelmatig terug in Schokkend Nieuws. In SN#92 bespraken we nog zijn Alice. Stop-motion zonder kinderachtigheid. De fantasie is grenzeloos – zoals in het korte Meat Love waarin twee lappen vlees met elkaar koketteren en copuleren voordat ze de braadpan ingaan – maar zelden behept met Disney-achtige vrolijkheid. Om de woorden van collega Hans Dewijngaert aan te halen, zijn personages zijn ‘eenzaam, verveeld, uitgeleefd en afgebladderd.’

De tweelingbroers Stephen en Timothy Quay vernoemden één hun korte films naar hem, The Cabinet of Jan Švankmajer (1987). De bekendste film van de Quay Brothers komt uit datzelfde jaar. Street of Crocodiles is een surrealistische droom vol gebroken poppen, stof, roest, gloeilampen en de sombere vioolmuziek van Leszek Jankowski. ‘Mechanical realities and manufactured pleasures,’ aldus de makers. Geen plot, maar twintig minuten lang associatieve beelden vol angst en verlating. De Quay Brothers maakten twee lange films, waarin stop-motion slechts een ondergeschikte rol speelt, maar kondigden in 2010 wel een derde aan, waarin we weer wél veel poppenanimatie kunnen verwachten. Sanatorium under the Sign of the Hourglass zal zich afspelen in een spookachtig sanatorium, in de dertiende maand, en is, net als Street of Crocodiles, geïnspireerd op het werk van de Poolse schrijver Bruno Schulz. Ook Walerian Borowczyk, de naar Parijs uitgeweken Poolse regisseur van een twintigtal surrealistische en erotische films, behoort tot hun grote voorbeelden.

Stop-motion kende in het voormalige Oostblok een geheel eigen ontwikkeling. Het zijn teveel namen voor dit overzichtsartikel, maar de Tsjechische pionier Jiří Trnka (1912-1969) moet op z’n minst genoemd worden. Trnka begon als illustrator en eigenaar van een poppentheater en experimenteerde tijdens de Tweede Wereldoorlog met animatiefilms. Zijn eerste stop-motion maakte hij in 1947. Opvallend stijlkenmerk is het ontbreken van beweging in de gezichten van zijn poppen. Trnka, die succesvol was op filmfestivals in Europa en de Verenigde Staten en zich daardoor ook liet inspireren (zo is Arie Prerie uit 1949 een parodie op de westerns van John Ford), werd gesubsidieerd door de communistische autoriteiten, maar de verhouding met hen werd steeds moeizamer. Ruka (1965) beschouwde hij als zijn belangrijkste werk. Het is het verhaal van een beeldhouwer die voortdurend gestalked word door een enorme hand. De hand eist dat hij een Handbeeld maakt, maar de kunstenaar weigert. Hij droomt liever van bloemen. De hand werpt werkelijk alles in de strijd: geld, propaganda, geweld, seksuele verleiding. De parabel eindigt met gevangenschap, dwangarbeid en de dood van de kunstenaar. De enorme hand regelt een begrafenis met militaire eer.

Trnka’s eigen begrafenis, drie jaar na Ruka, was net zo’n nationale gebeurtenis. Met zijn laatste film leverde Trnka een pessimistisch commentaar op het regime en op de positie van kunstenaars in zijn land. Hoewel destijds niet meteen verboden, werd het filmpje na zijn dood uit roulatie genomen en bleef meer dan twintig jaar lang onvertoond. Velen zagen het als een voorbode van de Praagse Lente.

Trnka’s Ruka; landgenoot Švankmajer die een jarenlang beroepsverbod kreeg opgelegd – is het toeval dat het protest tegen de collectivistische dictaturen van de vorige eeuw vorm kreeg in het werk van een paar koppige eenlingen die jarenlang , verscholen onder een lamp, hun poppen en aller-individueelste en meest pessimistische verhalen animeerden?

Extinct
Stop-motion groeide dus uit tot een genre op zich. Als visual effect in een gewone film zie je het echter nog maar zelden – al zullen mensen als Michel Gondry (The Science of Sleep), Wes Anderson (Fantastic Mr. Fox) en de mannen van Astron-6 (Manborg) er gelukkig nooit genoeg van krijgen.

Eigenlijk is de derde grote naam na O’Brien en Harryhausen de belichaming van die omslag. Phil Tippett (geboren 1951) was als jongeman diep onder de indruk van The 7th Voyage of Sinbad. Op zijn zevenentwintigste stond hij aan het hoofd van de animatieafdeling van Industrial Light & Magic. Hij creëerde enkele van de beroemdste bewegingen in Star Wars V: The Empire Strikes Back (1980). De AT-AT Imperial Walkers? Vijftig centimeter hoge modellen die beeldje voor beeldje werden geanimeerd. De tauntauns: ook stop-motion.

Tippett bracht een belangrijke verbetering aan op het werk van zijn voorgangers. Stop-motion is vaak nogal schokkerig. De oorzaak is dat het procedé werkt met stilstaande beelden: los van elkaar geschoten en haarscherp. De kijker ervaart een beetje motion blur echter als natuurlijker en vloeiender. Tippetts go motion-techniek zorgde daarvoor. Het leverde hem lof op voor zijn werk aan Dragonslayer (1981) en een Oscar voor Return of the Jedi (1984).

Tippett startte kort daarna zijn eigen studio en creëerde bijvoorbeeld de ED-209 in Robocop (1987). Een combinatie van visual en special effects was gebruikelijk in de jaren tachtig. Terwijl Stan Winston zorgde voor de make-up, designs en mechanische effecten in The Terminator (1984) creëerde Doug Beswick het stop-motion endoskeleton dat in de finale achter Sarah Connor aankomt (hij deed overigens ook de stop-motion in Evil Dead II). Rob Botin gebruikte een hele serie effecten voor The Thing (1982). De tekortkomingen begonnen in die periode echter ook in het oog te springen. John Carpenter keurde het deel van de finale van The Thing af waarin het gehele monster in stop-motion te zien was. Terecht, overigens. Een paar jaar later verraste ILM’s Dennis Muren iedereen met het cgi watertentakel in The Abyss (1989).

Jurrassic Park (1993) werd het keerpunt. Tippett deed uitgebreide stop-motion tests voor de film van Steven Spielberg en werkte aan de scène met de Velociraptors in de keuken en de Tyrannosaurus Rex. De bedoeling was dat Stan Winston de mechanische beesten zou doen en Tippett de stop-motion. Dennis Muren en IML zouden slechts een paar cgi-shots aanleveren. Toen de computerbeelden binnenkwamen ging Spielberg om. Het verhaal wil dat Tippett die dag uitriep: ‘I’ve just become extinct!’  Spielberg gebruikte de quote in zijn film.

Klaar voor z’n close-up
Maar elders begon wat nu tot een nieuwe generatie stop-motion films lijkt te zijn uitgegroeid. Het Britse Aardman, opgericht in 1972, trok in 1986 bekijks met de video van Peter Gabriels Sledgehammer. Drie jaar later maakten Peter Lord, Peter Spoxton en Nick Park het eerste korte filmpje met Wallace en Gromit. In 2000 was er de eerste bioscoopfilm: Chicken Run.

The Pirates!, dit jaar uitgekomen, is de vijfde Aardman feature. De piraten wagen zich, onder aanvoering van stemacteur Hugh Grant, voor het eerst… in een computer generated oceaan. Peter Lord: ‘In veel opzichten animeren we nog net zoals dat vijftig jaar geleden werd gedaan, maar (…) als er één ding is dat je niet kunt doen in stop-frame animatie, dan is het de zee.’ Het is ook geen kwestie meer van een eenzame animatieartiest. ‘Vijfendertig á veertig animatoren werkten simultaan. We hadden zoveel piratenkapiteins dat we wel tot twintig scènes met hem konden draaien, tegelijkertijd in verschillende delen van de studio.’ In plaats van monden handmatig te boetseren, zoals Aardman dat vroeger deed, werd gebruikt gemaakt van een replacement-systeem dat verwant is aan George Pals ‘puppetoons’. Maar multi-tasken en opplakmonden of niet, het blijft een enorme opgave. Alleen voor de piratenkapitein waren er al 1.400 verschillende monden. Nooit geweten dat Hugh Grant tot zoveel verschillende expressies in staat was.

In de Verenigde Staten maakte Tim Burton, toen nog in dienst bij Disney, in 1982 Vincent. Het zwart-witfilmpje en gedicht, voorgedragen door Vincent Price zelf, gaan over de kleine Vincent Malloy die geobsedeerd is door zijn griezelige naamgenoot, door Edgar Allan Poe en door andere horrorklassiekers. ‘He likes to experiment on his dog Abocrombie / In the hopes of creating a horrible zombie / So that he and his horrible zombie dog / could go searching for victims in the London fog.’ Jack Skellington, kort te zien in Vincent, zou in 1993 terugkeren in The Nightmare Before Christmas. Ook ditmaal werd een replacement-systeem gebruikt: bij elk van de 227 poppen hoorden meerdere hoofden met uitdrukkingen, een totaal van vierhonderd gezichten. Ook hier weer indrukwekkende getallen: 120 medewerkers, 20 sets, 109,440 frames. Vincent en zijn hondje, nu Sparky geheten, keren in oktober terug in Frankenweenie.

The Nightmare Before Christmas werd geregisseerd door Henry Selick. Selick, net als Burton oud-leering aan het California Institute of Arts en ex-Disney, trad daarna in dienst van Will Vinton Studios. Vinton, al eerder genoemd in dit artikel, was tegen die tijd de financiële controle over zijn bedrijf kwijtgeraakt, maar zijn opvolgers zetten vanaf 2005 de traditie voort onder de naam Laika. Eerste klus in opdracht: Tim Burtons Corpse Bride (2005), gevolgd in 2009 door Coraline van Selick. Paranorman, geregisseerd door Chris Butler en Sam Fell, is de twee grote eigen productie van Laika. Met een crew van 320 mensen, in een studio simultaan werkend op 52 verschillende sets, is ‘t het grootste stop-motion project tot nu toe.

Voor de gezichten in Paranorman werd zowel gebruik gemaakt van het replacement-systeem als van poppen met mechanisch bewegende onderdelen. Alleen al voor het personage Norman werden 28 verschillende poppen gebruikt. De armatuur telde 122 verschillende onderdelen. De onderkant van zijn gezicht wordt bestuurd met magneetjes. De bewegingen van oogleden en lippen zijn ontstellend complex. Stop-motion is, zoals de makers het zelf zeggen, ‘klaar voor z’n close-up’. Maar de pioniers zijn niet vergeten. Chris Butler: ‘Ray Harryhausen had his monsters, we have our zombies.’

Houten jochie
‘I’ve just become extinct’, riep Tippett toen Spielberg hem vertelde dat de dino’s in Jurassic Park computergeanimeerd zouden zijn. Hij had ongelijk. Niet alleen is Tippett Studio nog steeds een van de vooraanstaande producenten van (tegenwoordig voornamelijk digitale) visual effects, Paranorman bewijst opnieuw dat stop-motion leeft. En voor wie daarvan nog niet van overtuigd: Guillermo del Toro en Mark Gustafson (Fantastic Mr. Fox) werken op het moment aan Pinocchio. De opnames zouden in de zomer van 2013 moeten starten. In stop-motion natuurlijk. Want hoe anders vertel je het verhaal van het houten jochie dat als een wonder tot leven kwam?

Gepubliceerd in Schokkend Nieuws #97, augustus/september 2012

Comments are closed here.